[ADVERTORIAL] - Omdat een civiele procedure bij de kantonrechter doorgaans laagdrempeliger en eenvoudiger is dan een procedure bij de civiele kamer van de rechtbank, geven eisers er regelmatig de voorkeur aan om hun zaak te laten behandelen door de kantonrechter. De kantonrechter heeft echter een bevoegdheidsgrens van 25.000 euro, dus worden vorderingen vaak bewust beperkt tot 24.999 euro, net onder de bevoegdheidsgrens. Maar hoe zit het dan bijvoorbeeld met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente?
Uit een recente uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant blijkt dat deze kosten boven op de hoofdsom kunnen worden toegewezen, ook wanneer het totaal daardoor boven de 25.000 euro uitkomt. In deze bewuste zaak draaide het om een geschil tussen enkele boeren en Waterschap De Dommel. Tijdens een periode van extreme regenval in juni 2016 liet het waterschap de schuif van waterberging De Rummeling bewust gedeeltelijk openstaan. Daardoor stroomde extra water naar de Sterkselse Aa, waardoor omliggende landbouwpercelen overstroomden en een volledige maisoogst verloren ging. De boeren stelden het waterschap aansprakelijk voor de schade.
Bijzondere zorgplicht geschonden
De kantonrechter vond dat het waterschap zijn bijzondere zorgplicht als waterbeheerder had geschonden. Bij de beslissing om de schuif open te laten was uitsluitend gekeken naar de bescherming van het nabijgelegen dorp Sterksel. De belangen van de omliggende landbouwbedrijven waren daarbij nauwelijks betrokken. Volgens de rechter kon het waterschap onvoldoende aangeven waarom het open laten van de schuif noodzakelijk was. Ook was er geen sprake geweest van een zorgvuldige belangenafweging, waardoor het waterschap volgens de kantonrechter onrechtmatig heeft gehandeld. Het causaal verband tussen het open laten van de schuif en de schade achtte de kantonrechter voldoende bewezen. Het waterschap werd daarom veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding.
Hoofdsom en nevenvorderingen
De boeren hadden hun totale vordering bewust beperkt tot 24.999 euro, om de zaak door de kantonrechter te laten behandelen. Daarbij werd geen onderscheid gemaakt tussen de hoofdsom en de nevenvorderingen. De kantonrechter stelde echter dat de bevoegdheidsgrens van 25.000 euro alleen geldt voor de hoofdsom. De wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten zijn nevenvorderingen en mogen boven op de hoofdsom worden toegewezen. Zelfs als daardoor het totaal uitkomt boven de 25.000 euro. Omdat de eisers hun volledige vordering, inclusief alle onderdelen, hadden beperkt tot 24.999 euro kon de kantonrechter in deze zaak echter
geen hoger bedrag toewijzen dan er door de boeren was gevorderd.
Procesrechtelijke les
Het uitgangspunt in het civiele
procesrecht blijft immers dat een rechter niet buiten het petitum mag treden. Daardoor bleef ook de uiteindelijke veroordeling beperkt tot het gevorderde bedrag.
De uitspraak bevat daarmee een nuttige procesrechtelijke les. Eisers die een vordering bewust beperken om binnen de bevoegdheid van de kantonrechter te blijven, doen er verstandig aan het petitum zorgvuldig op te bouwen. Door een duidelijk onderscheid te maken tussen de hoofdsom en eventuele nevenvorderingen, kan worden voorkomen dat onbedoeld afstand wordt gedaan van bedragen waarop de eisende partij mogelijk gewoon recht heeft.
Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via
[email protected] of bel naar 073-6154311.